
Mud run kiezen: ga je voor tempo of ga je voor grip?
Je wilt lekker doorlopen én je zeker voelen als het nat en glad wordt. Dat gaat vaak beter als je vooraf één hoofdkeuze maakt: ga je vooral tijd winnen op de loopstukken (tempo) of wil je vooral energie besparen door stabiel te blijven en zeker te kunnen grijpen (grip)? Met die keuze wordt je voorbereiding meteen simpeler: je herkent sneller welke schoenen, kleding en training jou echt helpen.
Denk aan het idee achter een mud run: meestal is het een mix van lopen, waterpassages en hindernissen waar je handen en schoenen het werk doen. Als je dat als uitgangspunt neemt, hoef je niet 'alles een beetje' te doen, maar kies je gericht.
Tempo of grip: zo prik je jouw run-stijl snel vast
Je kunt jezelf snel richting geven met drie checks. Let op wat er bij jou meestal gebeurt:
Tijdwinst: win je vooral tijd als je op de loopstukken vlotter blijft lopen, of juist als je bij obstakels in één keer door kunt (met goede voetplaatsing en zekere grip)?
Nat/koud: helpt het jou om extra te focussen op soepel blijven bewegen als het nat en koud is, of merk je dat je dat al redelijk vasthoudt?
Solo of groep: loop je meestal door, of heb je momenten van wachten (bijvoorbeeld omdat je met anderen gaat)? Als je soms stilstaat, denk dan alvast aan laagjes en hoe je weer rustig op gang komt.
Kies je tempo, zie je run dan als herhaalbare blokken: vlot lopen, kort herstellen, weer door. Handige check: kom je buiten adem bij een obstakel aan, neem dan 2-3 seconden voor je plaatsing (voeten neerzetten, één goede greep, dan pas kracht). Dat voorkomt gepruts en houdt je ritme vaak beter.
Kies je grip, dan draait het om gecontroleerd bewegen: stabiel landen, bewust je voeten neerzetten en met je handen zeker werken. Op langere, harde stukken helpt het om net onder je “te hard”-tempo te blijven, zodat je bij obstakels nog fris genoeg aankomt.
Kleding & laagjes: comfort is je geheime versneller
Je wilt zo min mogelijk bezig zijn met kleding die zwaar wordt, schuift of schuurt. Let dus vooral op hoe stof en naden zich gedragen.
Praktisch:
Kies kleding die nat nog licht blijft en prettig beweegt. Test dat thuis: maak het even nat en beweeg een paar minuten.
Een strakke basislaag schuift vaak minder. Voel je bij een testrondje irritatie bij oksels of binnenkant dijen, wissel van model of kies naden die anders zitten.
Handschoenen kunnen grip geven, maar soms werkt 'gevoel' juist beter bij touw of net. Twijfel je: test één keer met en zonder en kies wat jou zeker laat werken.
Neem iets droogs voor na afloop mee. Een droog shirt en iets warms maakt je herstel fijner.
Schoenen: waar je grip wint (en waar je het terugbetaalt)
Schoenen bepalen vaak of je lekker doorloopt of juist stabiel blijft op lastige stukken. Maak het concreet met wat je voelt.
Voor grip: zoek een zool met duidelijk profiel dat zich in zachte ondergrond kan zetten. Je merkt het vooral op schuine, gladde stukken: pakt je voet direct en blijf je rustig staan, dan zit je goed.
Voor tempo: lichter en soepeler loopt vaak prettiger op langere stukken. Check wel of je op modder, nat hout of schuine kanten nog ontspannen kunt landen. Ga je automatisch korter en voorzichtiger stappen, dan mis je waarschijnlijk houvast.
Let op drie dingen:
Profiel: meer profiel geeft vaak meer grip in modder, maar kan stugger voelen op harde stukken.
Water: schoenen die weinig water vasthouden blijven lichter na een waterpassage.
Veters: nat kan losser gaan zitten. Een dubbele knoop werkt voor veel mensen goed; blijft je hiel bij een natte test op z’n plek, dan zit je veterdruk meestal goed.
Test je schoenen minimaal één keer nat en vies. Dan weet je of je pas hetzelfde blijft als het glibberig wordt.
Training: maak het simpel en passend bij je keuze
Houd training zo simpel dat je het ook echt doet, en laat het aansluiten op je focus.
Ga je voor grip, train dan:
Hangen/trekken: zodat je bij natte obstakels langer kracht overhoudt in je onderarmen.
Benen en romp: zodat je stabieler landt en rustiger blijft op gladde ondergrond (bijvoorbeeld met squats en lunges).
Ga je voor tempo, combineer dan:
Rustig duurtempo om langer te kunnen blijven lopen.
Korte versnellingen zodat je na een obstakel weer vlot op gang komt, met controle.
En op de dag zelf: twijfel je bij een hindernis, adem 1-2 keer rustig uit en kijk waar je handen en voeten heen gaan. Eerst plaatsing, dan kracht. Dat scheelt vaak tijd én energie.
Foto: Pixabay.com, Hamperium.



